Reizen is het mooiste wat er is. En daarover verhaaltjes schrijven doe ik dan ook met veel plezier.
Karin en ik houden van lange reizen maken waar het beginpunt en de eindbestemming bekend zijn. Van Buenos Aires naar Quito bijvoorbeeld. Daar tussenin bekijk je het maar, als je maar op tijd bent voor je vliegtuig terug naar Nederland.
Zo vertrokken we in 1992 naar Saigon (eigenlijk Ho Chi Minhstad) met als eindbestemming HongKong. Prachtig land dat Vietnam met een uitstapje naar Angkor Wat, omdat mijn vader daar vroeger een boek over had. We kwamen daar een ander Nederlands paar tegen, evenals wij óók op een Honda motor om alle tempels in de omgeving te bezoeken. Én een Duitser op een fiets. Verder niemand op de plaatselijke bevolking na.
En nu naar het noorden.
Van Hanoi naar de Chinese grens was een lange nachtelijke treinreis zonder al te veel comfort. Eigenlijk geen. Karin zat naast een vent die ook haar zitplaats half innam.
‘s Ochtends vroeg kwamen we aan, halfgaar en gedesoriënteerd. Hier eindigde gewoon de spoorlijn, geen station, niets. Een kale zandvlakte. This is it! Ook geen perron. Dan weet je pas hoe hoog een wagon is. Probeer maar eens naar beneden te klimmen, Karin viel dan ook met haar rugzak.
Maar dan, waar zijn we? Waar ligt China? Geen bebouwing te bekennen. Enkele jonge ventjes zagen ons een beetje verdwaald en verbouwereerd langs schuifelen, Karin met haar Vietnamese lampenkap hoed op en ik erachteraan.
‘Wat is hier geland’, zag je ze denken.
‘China?’ Vroeg ik. -Nooit van gehoord- was hún gezichtsuitdrukking.
Wacht, ik pak m’n Lonely Planet, daar staat een echte Chinees (zo’n Chinees als in een Kuifje album) op de voorkant afgebeeld. Ook dat hielp niet. Er kwam niets uit. Wat nu? Verdomme, kut, wat nu?
Na een uur kwam er een legertruck aanrijden. Zij begrepen onze bedoelingen en namen ons mee over de zandweg naar de ‘grensovergang’, enkele kilometers verderop. Op een heuvel was een Chinese tempel te zien. Daar moesten we maar naar toe gaan (alles natuurlijk in gebarentaal) Zo gezegd, zo gedaan.
Nou, prima, wij begroetten de dames van de douane met Ni Hao en lieten onze visa en stempels zien. Wij waren uiteraard de enigen en in no time waren we door de douane van China.
En nu? Geen trein, geen bus, niente. Niets was er.
Er stond alleen een auto met een stuk of zes mensen erin te wachten. Je weet helemaal niet waar je je bevindt en waar je nu eigenlijk naar toe wilt. We stapten in de auto met de gedachte weg van hier en we zien wel. Nu ben ik vergeten waar we die nacht hebben overnacht en ook de treinreis daarna is in m’n hoofd gewist. Maar op een gegeven moment kwamen we aan in Nanning. Een grote stad waar ik nog nooit van had gehoord. En geen hond spreekt Engels, dat is tegenwoordig wel anders.
We wilden naar Guilin en Yangshuo.
In het hotel konden we duidelijk maken dat we naar Guilin wilden en het lukte ons dat de baliemedewerkers de naam Guilin in het Chinees opschreven voor treintickets met die bestemming.
Het station hebben we gevonden.
Daar stond een rij voor één houten loketje van 30 x 30 cm. Een rij van 20 meter en alleen mannen.
En ze stonden echt tegen elkaar aan, piemel tegen kont, zodat er niemand stiekem tussen kon gaan staan. Er liep ook een man met een lat te patrouilleren waar hij mee sloeg als iemand wel probeerde voor te dringen.
Daar ben ik dus achter aangesloten in de rij met mijn briefje in de hand voor de treintickets.
Na anderhalf uur schuifelen was ik aan de beurt en liet het briefje zien. En werd een handgebaar gemaakt van nee, verkeerd en ik moest plaatsmaken voor de rij achter me. Dat vertikte ik. Ik ga na anderhalf uur wachten niet meer weg en ik bleef de boel blokkeren. De rij achter me begon zich te roeren en er ontstond onenigheid. De stationmedewerkers zagen wat er allemaal gebeurde en er werd iemand opgetrommeld om de boel te sussen en die ook een paar woordjes Engels sprak. Hij legde me uit dat vanavond blabla een sleepertrein blabla…. En zo kwamen we de volgende dag uitgerust in Guilin aan.