Waarom
Ik liep de trap op naar onze kamer om me nog even snel om te kleden en wat spulletjes te pakken.
Terwijl ik dat deed, schoten vragen en gedachten door m’n hoofd. Waar moesten we in godsnaam beginnen met zoeken in deze onbekende grote stad, geen aanwijzingen en slechts de woorden van een onbetrouwbare, onbehulpzame receptionist…
Alhoewel de moed me tot voorkort in de schoenen gezakt was en m’n plotselinge eenzaamheid en machteloosheid me bijna tot sceneschoppen gedreven had, opende ik nu in tegenstelling tot voorgaande keren eigenlijk wel blij en opgelucht de kamer, in de wetenheid dat er nu iemand was die me ging helpen. Althans, iemand die dat ging proberen.
M’n gevoel van eenzaamheid verdween en m’n vertrouwen groeide. Al moeten we elke meter van Bursa doorzoeken, vinden zullen we hem.
Ik probeerde geen aandacht te schenken aan zijn kleding die over de stoel hing, richtte m’n blik ook maar niet in de badkamer, waar zijn spulletjes stonden. En al helemaal keek ik niet richting het inmiddels opgemaakte bed, waarin we vannacht nog gelukkig en nietsvermoedend in elkaars armen gelegen hadden.
Ik kon het echter niet laten even aan z’n parfum te ruiken en er zelfs wat van op te doen. Hij ging nooit de deur uit zonder daarvan wat op te doen.
Z’n koffer stond half geopend op de grond. Voor deze paar dagen was het onnodig geweest de kast te gebruiken.
Tussen wat kleding lag een lijstje met een foto van ons samen in Uludag, lachend in de sneeuw. Mooie herinneringen kwamen bij me boven. Brieven en foto’s die ik gestuurd had, netjes bij elkaar gebonden. Een agenda, volgeschreven met lieve gedichtjes, notities en data van vakantie samen en m’n verjaardag. Een woordenboekje met wat aantekeningen. ‘‘je hebt mooie ogen ‘ en ‘ zullen we vanavond uitgaan’, als ‘belangrijke zinnetjes’ onderstreept… Ik denk terug aan Uludag. Veel gesprekken hebben we te danken aan dit simpele boekje. Daar waar we er met handen en voeten, gebaren en tekeningen niet uitkwamen, bood ons dit boekje wederzijds begrip. Eraan terugdenkend, verscheen er een brede glimlach op mijn gezicht. Hoogste tijd om op zoek te gaan naar m’n askim.
Toen ik beneden kwam, zat Murat ondertussen hevig discussierend te telefoneren. Dit ging gepaard met een hoop ‘Wallahhalla’s ‘, tonggeklak en flink wat handengebaar. Ik schrok, maar het had achteraf niets te maken met de huidige situatie en stelde me gerust. Dat had ik moeten weten, in de afgelopen twee weken in Izmir had ik al snel gemerkt dat - hoe heftig het er ook in gesprek tussen mensen op straat of in een telefoongesprek aan toe ging- dit allerminst betekende dat er iets ergs aan de hand was. Het kon daarentegen net zo goed een blijde gebeurtenis omvatten.
En dus verlieten we even later samen het hotel, de merkwaardig en nog steeds afkeurend kijkende recepionist achter ons latend.
Het gevoel alleen al dit hotel te kunnen verlaten en de buitenlucht in te kunnen ademen, was heerlijk.
Murat gaf aan dat we het beste naar de politie konden gaan. Alhoewel ik besefte dat dat het beste was wat we konden doen, maakte ik me wel hevig zorgen bij het horen van het woord politie. Het was inmiddels middag en ondertussen alweer bijna 12 uur geleden dat onze rust en ons samenzijn wreed door de telefoon en de gevolgen daarvan verstoord werd. Zouden ze hem wel goed behandelen, zou hij wel wat gegeten hebben? En bovendien; wat moesten we doen als bleek dat hij daar niet was?
Het politiebureau was niet ver van het hotel. Binnen 5 minuten stonden we voor de deur. In de chaos van m’n gedachten en vragen, was het blijkbaar niet in mezelf opgekomen om het er zelf op te wagen naar het bureau te stappen. M’n nijd richting de receptionist die me ook daar niet op gewezen had, groeide alleen maar door deze gedachte.
Murat leek zo mogelijk nog meer gespannen dan ik. In het krappe kwartier dat we elkaar nu kenden, was er meteen een band tussen ons. Hij zei dat hij zich schuldig voelde. Schuldig omdat hij degene was die het hotel voor ons geregeld had. En dat zijn vriend en ik nu zo in de problemen zaten.
Afgezien van het feit dat ik er al niets van snapte waar Murat ineens vandaan gekomen was, verbaasde ik me er nog meer over zijn schuldgevoel voor het hele gebeuren. Daar kom hij toch zeker niets aan doen. Of wist hij misschien meer?
Dan geeft hij me uiteindelijk de uitleg als samenvattend op de vragen die al sinds het vertrek van m’n askim door m’n hoofd gaan: We zijn niet getrouwd en verblijven op dezelfde hotelkamer.