Hoewel iedereen bij het horen van het woord Egyptenaar denkt aan een moslim, wonen er ook Christenen, meestal Copten. De Coptische godsdienst is een soort van Orthodox christendom, vergelijkbaar met Grieks of Russisch Orthodox.
Net zoals de moslims de Islam op een andere manier beleven dan wij, beleven de Christenen hun godsdienst ook op een wat heftiger manier dan wij gewend zijn.
Er zijn gebieden waar Christenen en Moslims op gespannen voet leven, er zijn ook gebieden, meestal in de steden, waar men al generaties lang naast elkaar woont, zonder noemenswaardige problemen.
De meest uitzonderlijke groep Christenen die ik heb gezien waren de Zaballeen:
Schrijver en Nobelprijswinaar Najib Mahfous heeft het in zijn boeken altijd over Caireense achterstandwijken, en noemt het stegen. In die stegen heerst een soort eigen subcultuur, een mix van traditie, religie, en machtsuitoefening door onderdrukking.
Je kunt het, denk ik, het beste vergelijken met de gangs in de VS. De steeg wordt gecontroleerd door een leider, en daarboven staat weer een buurtleider, daarboven iemand die de buurtleiders domineert en controleert, en uiteindelijk staat de wettelijke macht boven alles. Maar ook die wettelijke macht kan door corruptie, manipulatie, en machtsvertoon deel uitmaken van de subcultuur. De mensen worden gedwongen geld af te staan aan hun leiders, en vaak ook gedwongen om in hun cultuur mee te gaan. Zo niet, dan kunnen er verschillende wegen worden bewandeld, een en ander afhankelijk van de importantie van de mens in kwestie. Valt er iets te halen, of zijn er belangen mee gediend, dan kun je er van uit gaan dat alles op alles gezet wordt om de persoon in het straatje mee te laten lopen.
Het klinkt historisch, de boeken zijn vaak ook historisch, maar vandaag de dag bestaat het nog. Niet alleen in de stegen, want die zijn er niet veel meer, maar in alle overbevolkte arme achterstandswijken. En als je een beetje thuisraakt in de cultuur, merk je het ook. Maar echte stegen, die zie je niet veel meer.
Een van die wijken, is Moqattam waar de Zabbaleen wonen en werken. The Zabbaleen zijn de vuilophalers en recyclers van Cairo. Groot Cairo heeft een afvalstroom van 6000 ton per dag. De Zabbaleen en de Wahis zijn traditiegetrouw degenen die het afval ophalen en verwerken. De Wahis controleren de routes en sluiten overeenkomsten af, de Zabbaleen verzamelen het afval en vervoeren het naar hun wijk, de wijk van de stegen, waar het afval gelost, gesorteerd en verwerkt wordt. Zij wonen en leven onder afschuwelijke leefomstandigheden. Er is geen waterleiding, slechts enkele huizen hebben electriciteit, en het verwerken van het afval maakt de huizen stoffig, vies en smerig. Omdat de wijk relatief hoog gelegen is, is ook het klimaat en de invloeden daarvan, meer extreem dan in andere woonwijken. Er is geen bescherming tegen de wind, tegen de zon ( in de hele wijk staan maar 3 bomen) alleen maar zand, stof en wind. Op een warme dag, is de stank van het afval, dierlijke uitwerpselen en karkassen bijna bedwelmend. Er zijn geen scholen, geen coöperatieve winkel voor armen, geen ziekenhuis, geen apotheek. Geen telefoon, geen aansluiten van wat-dan-ook.
De wijk ligt verscholen, is niet zichtbaar voor de rest van Cairo, en de Zabbaleen kunnen vanuit hun wijk niet uitkijken op de andere wijken van Cairo. Verscholen en geisoleerd, de verschoppelingen van een toch al niet zo`n hoogstaande maatschappij. Tijdens mijn eerste bezoek kwam ik per ongeluk in deze wijk terecht, ongelukkigerwijs op het tijdstip dat de Zabbaleen naar huis terugkeren.
Tegen zonsondergang komt er een lange rij van voertuigen volgeladen met afval, naar hun wijk terug. Vaak gehuurde mini-trucks met open laadbak, waarop het afval meters hoog ligt opgestapeld. Bovenop al dat afval, zo`n 3 meter hoog, zitten de kinderen van de Zabbaleen, die overdag hun vaders helpen met vuil ophalen. Omdat de wijk bestaat uit stegen, en er geen ruimte is twee rijrichtingen ( in en uitgaand), is het tegen zonsondergang een grote langzaamrijdende file van volbeladen torenhoge wagentjes, en zul je met die stroom mee moeten, of je het nu wilt of niet.
Het levert een bijna surrealistisch beeld op. Een schemerachtige, halfdonkere wijk, warm, stoffig, en stinkend. Kleine huisjes die aaneengebouwd zijn. Onderin die huisjes zijn een soort koven, open ruimtes, waar het afval gestort wordt. Vaders, moeders en kinderen, natuurlijk even vuil en stinkend, zittend tussen het afval, sorterend en zoekend, onder het licht van een olielampje. Bergen afval links, en rechts, autos met afval voor en achter je. Iedereen kijkt naar je, want zon auto valt daar natuurlijk op. Schemer, stoffige vieze mensen en borende blikken vanuit donkere ogen. Wie ben je, en wat doe je hier? Het was beangstigend. Armoede die je schrik aanjaagt. Smerigheid en walgelijkheid die beangstigend is.
Er is een soort totaalproject opgestart, wat de leefomstandigheden en de ontwikkeling zou moeten verbeteren. De infrastructuur, het schoonmaken, de kleine industrie, de vrouwen en de huishouding, de dieren, mechanisatie, het verwerken van plantaardig afval, volksgezondheid, economie, en het wonen op zich, zijn allemaal onderdeel van dit programma.Het is een van de mega-projecten die wereldwijd worden uitgevoerd.
En als ik dan `s ochtends mopper, omdat een of andere onzalige ziek bij de Gemeente het bedacht heeft, dat een gezin niet meer afval kan produceren als de inhoud van een door hen verstrekte mini-container, die slechts een keer per twee weken wordt geleegd, en dat voor mij te weinig is, moet ik weleens denken aan de Zabbaleen…