Weinig schrijvers hebben in zo veel toonaarden de luiheid geprezen als de Frans-Egyptische dandy Albert Cossery (°1913). Het bescheiden oeuvre van de bijna 94-jarige schrijver is een consequent volgehouden ode aan de passiviteit en een regelrechte oorlogsverklaring aan alle druktemakers én strebers van deze wereld. Cossery, die rijkelijk put uit de taalreservoirs van de volksbuurten in Caïro, laat zijn kleurrijke, meestal straatarme personages op een absurd humoristische manier rebelleren tegen de samenleving. Zijn schobbejakken, klaplopers en goedmoedige lanterfanters zoeken hun heil in een doezelig bestaan vol hasjiesj, slaap of goedkope liefde. Aan het gadeslaan van hun gejaagde medemens hebben ze alvast een volle dagtaak. Cossery gruwt dan ook van het woord ‘ambitie’ en zoekt de zin van het leven in een soort “lucide nietsdoen”, zoals zijn Nederlandse vertaalster Mirjam de Veth het treffend omschreef. “Slapen is bij hem een vorm van nee-zeggen.” Wie behalve wat kleinschalig genot niets van het leven verwacht, bewaart immers zijn vrijheid en heeft geen last van machthebbers of wetten.
Cossery zelf heeft zijn leven naar die premissen ingericht. Sinds 1945 struint de aristocratische bohemien door Parijs en staat alom bekend als ‘le solitaire de Saint-Germain-des-Prés’. Hij heeft zijn intrek genomen in een kamer in hotel La Louisiane en woont daar nu al meer dan 50 jaar. Voor de sobere Cossery, weliswaar steeds onberispelijk gekleed in kostuum mét passend pochet, volstaat het als uitvalsbasis. In de jaren vijftig dompelde hij zich onder in het turbulente uitgaansleven van de buurt. Hij heeft alle coryfeeën zoals Sartre, de Beauvoir, Vian, Picasso van nabij gekend én overleefd. Tot voor kort dronk deze levende legende nog klokvast zijn koffie in café Le Flore. Traag maar zeker schreef hij de voorbije vijftig jaar acht volkomen uitgepuurde boeken in het Frans, waarbij De luiaards in de vruchtbare vallei en De trotse bedelaars zeker tot de hoogtepunten behoren. Daarbij greep hij telkens terug op “een draagbaar Egypte in zijn hoofd”.
Ook in het zopas vertaalde Het huis van de wisse dood (1945), nu in een mooie editie verschenen bij de eigenzinnige uitgeverij Coppens & Frenks, is dat het geval. De handeling draait rond een bende arme luizen die in een tragikomisch conflict verwikkeld zijn met Si Khaliel, de doortrapte eigenaar van hun op instorten staande huurkazerne. De bewoners leren leven met de onheilsdreiging, het akelige knarsen van het gebinte én het verontrustende gieren van de wind: “Hun vreemde ellende liet ze geen tijd om te begrijpen of te protesteren.” Cossery schetst een prachtig *tableau *van hun nutteloze overpeinzingen én de op niets uitlopende handelingen om iets aan hun situatie te veranderen. Elk verzet lijkt vergeefs, want de dood kan hen elk moment in de vorm van tuimelende stenen in de nek vallen. In een klassieke, glasheldere taal, met een apart gevoel voor het ongerijmde, geeft Cossery dit zooitje ongeregeld een stem. Veel solidariteit bestaat er niet tussen de bewoners, die zich liever in onderling gekissebis verliezen. Voor Cossery het sein om zijn boek te doorspekken met superieure scheldpartijen en woedeuitbarstingen. In dit vroege werk van Cossery schuilen al veel spotzucht en toornige rebellie, maar ook tegendraadse vrolijkheid. Kijk maar naar de eigenzinnige tramconducteur die zich niet aan de opgegeven route houdt en te pas en te onpas stopt om zich aan de waterpijp te verlustigen. Hij is het prototype van de Cosseriaanse held.
Al is de je m’en foutist Cossery intussen door een keeloperatie sprakeloos geworden en is zijn oeuvre volkomen afgerond, hij blijft een fetisjauteur die men zal blijven herlezen. Vooral op dagen wanneer men genoeg heeft van het “woeden der gehele wereld”. Cossery, zo schrijft de Veth, beschouwt het trouwens “als een overwinning wanneer hij door zijn werk mensen redt van het kantoorbestaan”.© De papieren man