4 daagse in de Peruaanse jungle

Zaterdag 1 april – donderdag 6 april: IQUITOS – TAMSHIYACU – IQUITOS (hoogte 100 m)

:wereld:We landen rond zes uur ‘s avonds in Iquitos, een stad van 600.000 inwoners midden in het Peruaanse deel van het Amazonebekken en dicht bij de grens met Colombia en Brazilië. De stad is enkel bereikbaar met de boot of het vliegtuig: er loopt geen enkele verbindingsweg naar toe.

Het straatbeeld van Iquitos wordt bepaald door de honderden motocarros, driewielers die als termieten door elkaar wriemelen want rijstroken moeten hier nog worden uitgevonden. Een motocarro is een brommer (meestal een Honda van 150 tot 200 cc) waaraan een soort overdekte riksja met open zijkanten is bevestigd. Dit achterstuk biedt plaats aan 2 tot 3 passagiers. Het is een goedkoop vervoermiddel, altijd beschikbaar, door de overkapping handig als het regent en, van zodra je een beetje snelheid haalt, ook verfrissend.

In Iquitos zal Dirk Muller onze gastheer zijn. Dirk is een Antwerpenaar met een verhaal. Zijn er andere? We kwamen met hem in contact via Internet(http://www.aguilayacu.com), met de hulp van Jean-Paul. Dirk heeft zo te horen jaren rondgezworven vóór hij zich vestigde in Tamshiyacu, 65 km stroomopwaarts van Iquitos. Hij werkte op boten of in de havens van Brazilië, Curaçao, trok wat rond in Zuidelijk en Westelijk Afrika, telkens afgewisseld met een aantal maanden werken als technisch tekenaar in Antwerpen. Hij verblijft nu al zo’n negen jaar in Peru, is getrouwd met Marieta. Hij vertelt dat een huis bouwen in deze streek niet eenvoudig was, ook al had hij dan hulp van zijn schoonfamilie (de oom van Marieta is burgemeester van Tamshiyacu, het dorpje van 8000 inwoners aan de rand waarvan de lodge is gesitueerd). Werkelijk àlle materiaal, met uitzondering van het hout, moet met de boot worden aangevoerd: zand, cement, bakstenen, sanitair,… Daarna wordt het met een vrachtwagen verder getransporteerd over wegen waarvan je nooit op voorhand weet of ze berijdbaar zullen zijn. “Als je daar met tien mannen staat te wachten op een camion die niet afkomt, moet je wel bedenken dat dit tien mannen zijn die die dag niets verdienen. Sociale zekerheid en technische werkeloosheid kennen ze hier niet.” Veel materieel verdwijnt spoorloos. “Ik moet minstens vijftig timmerlui uitproberen om er vijf betrouwbare over te houden”.

We spreken af dat we zondagmorgen naar Tamshiyacu varen met de lijnboot, een colectivo die ongeveer een uur doet over de afstand. We overnachten in Iquitos, in hotel El Pirata dat eigendom is van Marieta’s zus en in een rustige buurt heet te liggen. We betalen 50 sol voor de kamer. ’s Anderendaags zien we dat dit vijf sol meer is dan aangegeven staat op de prijzenlijst bij de receptiebalie. Twee dagen later zullen Dirk en Marieta ons aanraden om altijd af te dingen op de officiële vraagprijs voor een hotelkamer. Humor overal.
Dat van die rustige buurt blijkt een ander klein foutje: het buurmeisje is net vijftien geworden, en dat wordt in Iquitosmiddens duidelijk luid gevierd. De hele nacht schalt vrolijke Peruaanse dansmuziek uit het raam en door de muur van de buren. Ik ken er niet één nummertje van. Alle liedjes lijken op elkaar, hebben hetzelfde ritme: de *lambada *(voor zover ik weet het enige Peruaanse liedje dat ooit iets heeft gedaan buiten Peru). Af en toe een Oosters klinkend synthesizersolootje. Van pure ellende sukkel ik rond drie uur toch nog in slaap. Om vier uurschiet ik opnieuw wakker: onze buren hebben sultans of swing opgelegd (-gek toch, dat je wakker wordt omdat je ‘slapende’ geest iets herkent-). Veel wordt hen vergeven, want ze laten de tweede gitaarsolo helemaal uitspelen, iets wat de meeste klotedj’s in Vlaanderen niet doen omdat ze gewoon niet in de mot hebben dat heel dat nummertje naar dat ene moment toegroeit. Om 5u30 is het feest afgelopen. Honden beginnen te blaffen, een peloton hanen slaat aan het kraaien.

Zondag

We ontbijten op het centrale plein van Iquitos. Het is zondag, en de groet aan de vlag wordt gebracht op de* Plaza de Armas. *In elke Peruaanse stad die zichzelf respecteert heb je een centraal plein dat bijna altijd wapenplein wordt genoemd; onder deze maatschappij ligt een bangmakend ontzag voor het militaire, orde en uniformen te smeulen. De plaza staat vol met soldaten, civiele bescherming, brandweerlui en leden van het socio-medische corps. Door de luidsprekers schallen veel te lange redevoeringen. Op zoek naar cash probeer ik drie geldautomaten uit vóór ik beet heb. De eerste meldt dat de geldigheidsdatum van mijn Maestrokaart is overschreden (2009 staat er op mijn kaart). De tweede meldt dat ik mijn krediet overschrijd. Bij de derde automaat kan ik 200 $ meer incasseren dan ik vroeg bij de tweede. “Dat is normaal in Peru”, zegt Dirk.
Aangekomen in Tamsiyaku overvalt ons een loden vermoeidheid. We gaan om 20u30 slapen. Heerlijk bed. Prachtige lodges

Maandag

Maandagmorgen vertrekken we voor een tweedaagse tocht stroomopwaarts op de Rio Tahuayo, een zijarm van de Amazonerivier. Het wordt een mooie tocht. Ons reisgezelschap bestaat uit zes mensen en een levende kip. Naast Dirk en wij tweeën is er Italo, de bootsman. De dorpelingen noemen hem de sjamaan omdat hij een beetje schrikaanjagend oogt – volgens mij lijkt hij op Keith Richards van de Rolling Stones. Hij haalt de schouders op: wie zijn de Stones? “Het is een compliment”, zegt Dirk nog. Willy is onze kok en manusje-van-alles. Aan het roer een stille jongen, waarvan ik de naam gemist heb. Wanneer ik later aan Dirk vraag hoe hij heette, zegt ie “tiens, nu je het zegt - ik weet het ook niet.” Dàt is pas een stille jongen.
De kip is bedoeld als avondmaal, voor het geval we er niet in slagen om vis te vangen.maw een bonte groep,de crew van aguila yacu

Bij het uitvaren van het haventje van Tamshiyacu zien we op een tak bij de oever een chorro (wolaapje). We gooien ‘m een rond broodje toe, dat uiteenvalt bij het vastgrijpen maar de aap vangt het afgebroken stuk met zijn andere hand terwijl hij zich aan de tak vastgrijpt met zijn staart. Geamuseerd eet hij het broodje op, terwijl hij ons observeert. De indianen hier jagen op die apen. Ze zijn lekker. Een schaap dood je, denk ik, maar zo’n aap vermoord je.

Een uur later houden we even halt bij het ouderlijke erf van onze stuurman. Hij moet daar wat yamswortels afleveren. Zoals alle woonhuizen hier is het huis een rechthoekige constructie op palen, volledig opgetrokken uit tropisch hardhout en met een dak van lange, smalle gevlochten bladeren. Op de grond, tussen de palen, slaapt een zwarte zeug met vier biggetjes. We lopen de trapjes op naar de enige woonruimte onder het dak. De moeder ligt te slapen in een hangmat, vader zat te soezen in een ijzeren stoel met poten van gelast betonijzer. Hij is wat overrompeld door ons bezoek, heet ons verward welkom en zoekt twee driepikkels voor ons. Aan een koord hangen enkele kledingstukken. Verder geen meubels. Op de grond drie uit droge bladeren gevlochten tulbanden, die nog het best lijken op naakte adventskransen vóór de versiering is aangebracht. Eén is leeg, in één zit er een kip te broeden. In de derde zit een slijkeend met kuikentjes, *patitos. *De eend bekijkt me zoals de leden van de regionale stuurgroep wanneer ik aankondig dat ik een fijn idee heb. Ze wringt de kuikens onder haar vleugels. Misschien zijn ze bedoeld als kerstmaal? Komt de adventskrans ook vrij.
Buiten liggen bananen en papayas op een hoop, te rotten. Ik voel me bevestigd in mijn privé theorie dat de menselijke soort bestaat uit jagers en plukkers. De eerste groep, dat zijn wij, wordt voortdurend opgejaagd. De rest wordt kaalgeplukt.

Zo’n 160 km boven Iquitos leggen we in de late namiddag aan bij een kleine nederzetting. Dirk vraagt de teniente, de dorpsverantwoordelijke, of we daar ons kamp mogen opslaan. We worden uitgenodigd om op het open gedeelte rond zijn huis, dat is afgezet met een houten balustrade, te overnachten. De woning van de teniente is groter dan het huis dat ik eerder beschreef, maar gebouwd in dezelfde stijl. Een houten loopbrug verbindt het rechthoekige hoofdgebouw met een tweede overdekte constructie waar een lange tafel staat en een vuurtje smeult. De zijwanden van dit tweede platform zijn open en hebben geen leuningen. Twee meter lager rolt een varken in de modder. Je kijkt best uit waar je je voeten neerzet: kleine kuikentjes lopen met ons mee en pikken naar de muggen die zich op onze benen vastzuigen.

De dorpsbewoners hebben voor ons een interessante tip. Op drie kwartier van het dorp, stroomopwaarts langs de rio Tahuayo, zouden alligators leven. Het is een wonder hoe onze bootsman het punt dat hem is beschreven, terugvindt. Voor mij lijkt elke meter van deze immense groene oeverstrook op de vorige en de volgende meter. Onze stuurman houdt halt bij een armoedige, alleenstaande hut. De bewoners, een familie van een tiental mensen, staren gelaten naar de stroom terwijl ze driftig de muskieten van zich afslaan. Het zou om te lachen zijn als het niet zo triestig was.
Een man is bereid om ons naar de alligators te brengen, maar daarvoor moeten we via een kreek tot aan een binnenmeertje varen. Deze kreek is niet verbonden met de Tahuayo, wat betekent dat we moeten overstappen in twee kleine kanos, en dan kunnen we niet allemaal mee. We besluiten om in ware Fitzcarraldostijl onze boot over boomstammen over land te duwen tot in de kreek. Ik mag meteen vaststellen dat zo’n boot loodzwaar is. Maar de beloning is groot. Het water van de kreek is helder en zuiver, de oevers liggen dicht tegen elkaar, boven onze hoofden groeien de reusachtige boomkruinen in elkaar. Na tien minuten varen we een prachtig binnenmeer op. Aan de overzijde woont een man die een maand geleden een lagarto (alligator) in zijn visnet ophaalde. Hij houdt het beest, dat naar ik schat twee en een halve meter lang is, gevangen in een met bamboestokken omheinde kraal. De alligator ligt vastgebonden aan een stevig touw onder een oude, omgekeerde boot. Trots trekt de man het fel tegenspartelende reptiel naar zich toe, er zorg voor dragend dat hij zelf veilig aan de buitenkant van de omheining blijft. Ik ben onder de indruk van de blik van het beest: pure, onversneden haat.

Wanneer we terugkeren op onze kampplaats valt de avond. Op dit moment begint ook de hel: honderden muskieten belagen elk streepje onbeschermd vlees. Ik voel de steken dwars doorheen mijn jeans en de hangmat waarin ik lig. Jo wordt bijna wanhopig. Gelukkig heeft Willy aan een muskietennet gedacht: straks slapen we op de blote planken, maar onder een net! Twee kinderen hebben een slang gevangen, en gooien hem dood in het water. Willy heeft wat riviervissen kunnen kopen, die hij roostert op een vuurtje.
In afwachting van het avondeten drinken we een fles aguardiente, gemaakt op basis van suikerriet. De dorpelingen verpatsen ons een fles van het zelfgestookte spul voor anderhalve sol. “Helpt tegen de muskieten”, zeggen ze. Ik kan aannemen dat je ze na een tijdje minder voelt, dat wel. Onder het drinken lullen we wat tegen Joye en Marcel, twee mannen die zo te horen niet op ons hebben gewacht om te beginnen drinken. (De voornamen waar Peruanen hun kinderen mee opzadelen zijn vaak wel grappig. Onze eerste taxichauffeur in Lima heette Max, omdat in de periode rond zijn geboorte een Duits antropoloog met die naam in zijn dorp vertoefde. Zijn broer heette Herbert. Waar halen ze het!)

Half negen. Het is donker, de muskieten zijn nog toegenomen. Geen elektriciteit. Een klein transistorradiootje op batterijen speelt populaire deuntjes. De gastvrouw zet een petroleumlichtje op de grond. We kruipen onder ons muskietennet, Willy is verdwenen. (’s Anderendaags zullen grapjes gemaakt worden over die mooie chica die zo vriendelijk voor hem was). Dirk blijft nog wat drinken. Ik wacht op de slaap en hoor Dirk voor de vijfde keer die avond, maar nu heel luid, zijn visie op de verkiezingen geven. De indianen zitten rond hem, zwijgen, en drinken zijn aguardiente.

Dinsdag

We vertrekken vroeg in de ochtend. Zonder de kip, die we achterlaten voor onze gastheer. Waar mijn arm tegen het muskietengaas heeft gelegen, zit ik onder de beten. Stroomafwaarts gaat de tocht een stuk vlugger: al zou je het niet meteen zeggen, toch zit er flink wat stroming op het water. Dit is het einde van het regenseizoen en de stroom is nu tot drie maal breder dan in de droge jaarhelft.
We leggen aan in Esperanza, een oeverdorp, op zoek naar drinkwater. Vier koeien die Willy de daver op het lijf jagen, een kleine bar, een medische noodhulppost. Twee sol voor een consultatie. Boven het haventje cirkelen zwarte gieren. Geen drinkwater te krijgen – we kopen enkele pepflessen frisdrank.
Geelzwarte vogels die wat weg hebben van een Vlaamse gaai (maar dan geel in plaats van mauve) leven in groep en bouwen hun nesten als een zwaar bewaakt fort samen in de top van een boom. Andere vogelnesten hangen als kalebassen aan lange slierten te deinen, vastgemaakt aan een zelfde tak. Een kolonie meeuwen troept luidruchtig samen op een eilandje in het midden van de Amazonestroom. Hoog in een dode boom een solitaire arend met een witte kop. Ik zie kleine reigers: grijs, met terracottakleurige borst en die typische Z-vormige vlucht. Grijze zoetwaterdolfijnen duiken op uit het water, één keer twee tegelijk.
We braden in de felle zon op het water en moeten ons beschermen met een laken want, zo weet ik sinds vorige nacht, een baseballpet verhindert niet dat je oren verbranden. (En probeer dan maar eens op je twee oren te slapen). Het zal wel een belachelijk zicht zijn: twee kreeften onder een beddenlaken. Italo vond voor zichzelf een eleganter oplossing – hij draagt zijn bermudabroek op het hoofd.

We houden halt, gooien een hengel uit en eten uiteindelijk perzik en tonijn uit blik. In het water schieten stekelbaarsjes heen en weer; die heb ik niet meer levend gezien sinds ik als kind in de beek achter het huis ging vissen met een oude nylon kous aan het einde van een borstelsteel. Dikkopjes ook, van sapos (padden), zegt Italo. Een paar kilometer vóór de lodge stappen we uit de boot en we lopen te voet naar Tamshiyacu, waar we een motocarro nemen. Een grote kameleon kruist ons pad.

Om twee uur zijn we thuis. Een half uur later begint het te onweren. Mil trueños y relámpagos! zou kapitein Haddock zeggen. Het water valt met bakken uit de lucht en het houdt niet meer op vóór de ochtend. ’s Avonds gaan we alweer om halfnegen onder zeil na een flink glas rum, gekocht in de luchthaven. Het is te donker om te kaarten. (Jo wint: zij heeft betere ogen.)

Woensdag.
We staan op om zes uur en gaan met Dirk op ochtendverkenning door het woud rond de lodge, in de hoop dat we aapjes zullen zien. Tevergeefs. Twee uur later lig ik in mijn hangmat te lezen in Historia de España contada para escépticos en bingo: een mooie groep van een zestal wilde apen recht voor ons. De staart is ongeveer twee keer de lengte van het lichaam (dat ik op zestig centimeter schat). Donkerbruine rug, zwarte snoet. Ik neem mijn verrekijker en kan ze nu goed observeren: ze zitten verdorie naar ons te kijken, en worden voortdurend gebeten door muggen of parasieten.

Opvallend: ieder jaar van half maart tot half mei heb ik last van voorjaarsallergie. Oorzaak is de bloesem van de berk, die bij ons veel te ondoordacht is aangeplant. Trek ik in die periode naar Noord-Spanje, dan houdt meteen ook de allergieaanval op. Maar hier in het regenwoud houden de symptomen onverminderd aan, terwijl ik hier toch geen berken zie. Wil de ware bioloog nu even opstaan?

In nauwelijks een uur tijd hebben honderden zwarte mieren een dubbele muur opgetrokken van de ene kant van het pad naar de overkant. Daartussen lopen ze nerveus af en aan, zoals de oude Grieken tussen hun twee muren van Athene naar de haven van Piraeus. Ik kijk wat aandachtiger nu, op zoek naar Pericles.

Ons verblijf hier loopt ten einde. In de namiddag wandelen we met Dirk en Marieta te voet terug naar het haventje van Tamshiyacu. De meeste huizen in het dorp zijn beschilderd of beplakt met verkiezingspropaganda. We wippen even aan bij Italo: op zijn voorgevel drie affiches, van drie verschillende partijen. Hier woont een kleine middenstander! Italo’s huis heeft een voorkamer met betonnen vloer en teevee. Daarachter een grote ruimte met golfplaten dak – de keuken annex eetkamer annex slaapruimtes. Buiten, achter het huis, een alleenstaand toilet waarin een zeug is ondergebracht die net bevallen is van vier biggetjes: twee zwarte, een bruin en een roze met zwarte vlekken. Italo vertelt dat de keel van het roze biggetje bij de geboorte vol slijm zat. Het beestje was stervende; Italo heeft zelf de slijmen er uitgezogen. Later op de avond maakt zijn vrouw voor ons een soepje van pompoen, uien en eiwit. Lekker.
Italo vraagt mij of het waar is dat je in België een loon krijgt als je niet werkt. Twee keer leg ik hem het principe uit van onze sociale zekerheid, maar zijn blik dwaalt af en dan vraagt hij opnieuw of het waar is… Ik vertel ‘m nog dat de helft van mijn loon naar de belastingen gaat, maar voel me beschaamd terwijl ik dit zeg.

We wachten op de nachtboot naar Iquitos in een danstent bij de baai. Op een klein Tv-scherm worden lokale clips getoond. Ze zijn aandoenlijk in hun naïviteit. Dezelfde muziek die ons enkele nachten geleden wakker hield. Sommige groepen bestaan uit drie of vier frontmen in maatpak, genre The Four Tops. Andere zijn opgebouwd rond een leadzangeresje met de allures van een pin-up uit de jaren zestig. Een lokaal bandje uit Iquitos wordt intens geplugd. “Die gasten vragen twaalf duizend sol voor één optreden”, weet Dirk. Buiten op de kade, rechtover de bar, zit een twintigtal jongeren naar het Tv-schermpje te turen.

Om elf uur vertrekt de boot. De meer gefortuneerde passagiers hangen hun mat uit op het tussendek. De anderen slapen onder de hangmatten op de grond. De armsten zitten samen in het onderste ruim rond een reusachtige vis – ik schat anderhalve meter, met een haaiachtige bek- die dood op de grond ligt. Een streep bloed, nu opgedroogd, is uit zijn bek getappen kijk ik nog even achterom en mijn oog valt op de naam van de boot: Titanic.
De rest van de nacht brengen we door in Hotel El Pirata. ’s Morgens kan Jo kan het niet laten om toch te vragen waarom we nu 50 sol betalen in plaats van de 45 die uithangt. Het antwoord komt pas na een half uurtje nadenken: “omdat er een salontafeltje in de kamer staat”. Prijs van het publiek!